Ode aan Amsterdam RAI
Het is een station. Geen fratsen. Inladen, uitladen. Geen plek waar je elkaar ontmoet, waar je blijft hangen. Ingeklemd tussen sporen en snelweg is het een station bij uitstek. Bijna alle vormen van vervoer in Amsterdam komen hier samen (er is geen water).
Het stationsgebouw, als je het al zo kunt noemen, is puur functioneel. Een paar glazen wanden en een dak schermen een bescheiden ruimte af van de elementen. Behalve een klein winkeltje enkel de roltrappen naar de perrons. Kaartjes kun je buiten kopen, bij de automaat. Daar is ook het tramperron. Voor de ingang van het gebouwtje vinden we een driehoekig pleintje met fietsenrekken, en een voetpad dat via een tunneltje naar het beursgebouw leidt.
Het treinstation, boven het gebouwtje en de tramhalte gelegen, is een simpele aangelegenheid: een enkel perron tussen de twee sporen die het knooppunt passeren. Ook het metrostation is recht-toe recht-aan, de sporen op dezelfde hoogte als de treinsporen, een kleine kopie van het treinstation eigenlijk. Even verderop ligt de keerlus van lijn 4, waar trambestuurder en conducteur pauzeren in een witte bouwkeet.
‘s Nachts is het, in schril contrast met overdag, uitgestorven. De gebouwen rondom het station verlaten, geen levende ziel in de buurt. Hoewel, hier en daar een lichtje. De bewaker van het KPN gebouw even om de hoek. De portier van het hotel. Maar dat is al weer ver weg.
‘s Nachts is het een plek waar je je verlaten kunt voelen van alles en iedereen.
Totdat de nachtbus je meeneemt naar Amsterdam Centraal..

